Biografie
Ik ben in Amsterdam geboren.
toen ik 8 jaar was
Mijn eerste boek
Vroeger wilde ik operazangeres worden en daarna een tijdje advocaat en modeontwerpster.
Ik heb drie weken op pianoles gezeten, maar mijn lerares begon op een gegeven moment
heel erg te zuchten als ze me zag. Ik dacht dat het kwam omdat ze vond dat ik niet
muzikaal genoeg was, dus ben ik maar gestopt. Advocaat ben ik niet geworden omdat
ik sociologie ben gaan studeren in plaats van rechten. Eigenlijk was ik het liefste
modeontwerpster geworden. Maar dat realiseerde ik me pas toen ik mijn studie sociologie
bijna afhad en toen had ik geen zin meer om opnieuw te beginnen. Gelukkig is schrijven
ook een creatief vak. Toen ik was afgestudeerd wist ik niet wat ik voor werk wilde
doen. Ik heb eerst een jaartje op een universiteit gewerkt. Maar dat vond ik heel
erg saai. Uiteindelijk ben ik journalist geworden. Dat vond ik leuk omdat ik heel
nieuwsgierig ben en omdat ik het leuk vind om te horen wat andere mensen denken en
waarom ze bepaalde dingen doen. Ik ben kinderboeken gaan schrijven omdat mijn eigen
kinderen nooit een boek lazen. Ze vonden de meeste verhalen heel saai en al na één bladzij
gooiden ze het boek weg. Ze zeiden dat ze liever buiten gingen spelen. Nadat ik voor
een uitgever een boek had geschreven over Tweelingen (voor grote mensen), zei hij:
Wij gaan kinderboeken uitgeven. Ik zei hem dat hij dan hele spannende boeken moest
gaan uitgeven, want ik hoopte dat mijn eigen kinderen die gingen lezen. Toen zei die
uitgever: Waarom probeer je het zelf niet eens. Zo ben ik begonnen met het schrijven
van kinderboeken.
Het eerste boek dat ik heb geschreven heet De Schat in de Verboden Duinen. Het speelt
zich af in Zeeland, waar wij vroeger altijd in de vakantie heen gingen en mijn kinderen
allerlei kattenkwaad uithaalden. De hoofdpersonen in het boek zijn de kinderen waar
zij toen mee speelden. Nu schrijf ik alleen nog maar kinderboeken. Dat vind ik heel
erg leuk.
Hoe ik een idee voor een boek krijg
Zomaar! Soms zit ik ergens aan te denken en dan krijg ik opeens een idee. Het begint
met een zin of soms een titel. Een goede titel vat een heel boek samen. Zoals De hond
van juf Jansen. Ik wist in één keer hoe dat boek zou gaan. Dan weet ik eigenlijk ook
meteen dat het een goed idee is. Veel andere schrijvers gaan op reis om ideeën op te
doen, maar mijn hoofd stroomt vanzelf al over van de ideeën. Ik vind op reis gaan meestal
ook erg onrustig, want dan zie en hoor ik zoveel dat ik er een beetje van in de war
raak. Rondtrekken met een tent of met een boot is voor mij bijna een marteling. Het
is een beetje gek, want ik ben wel heel avontuurlijk. Maar zodra ik mijn koffer aan
het inpakken ben, wil ik al niet meer weg. Ik ben eigenlijk een avonturier met heimwee.
Ik denk dat ik daarom schrijven zo leuk vind: je kan van alles beleven en gewoon thuis
blijven zitten en lekker in je eigen bedje slapen. Ik heb één boek geschreven naar aanleiding
van een reis in het buitenland. Dat kwam toen ik tijdens de wintersport mijn been
brak en twee weken in het ziekenhuis in Zwitserland moest blijven. Vanuit mijn kamer
keek ik naar de berg, de Jakobshorn, waar ik was gevallen. Uit verveling heb ik toen
Avontuur op de Jakobshorn verzonnen.
in mijn werkkamer
Hoe ik begin met een boek schrijven.
Als ik weet waar ik over wil schrijven, denk ik eerst een tijd na over de vorm: wordt
het een boek voor kleine kinderen of voor oudere? Wordt het grappig of een beetje
serieus? Is er één hoofdpersoon of meerdere? Wordt het een boek met losse verhalen of
één groot verhaal? Als ik dat weet ga ik de namen van de hoofdpersonen verzinnen en
bedenken wat voor kinderen het zijn. Dat is het belangrijkste deel van het schrijfproces,
want als je de hoofdpersonen goed in je hoofd hebt, maken die als het ware zelf het
verhaal. Een goede naam voor de karakters vinden is heel belangrijk, omdat je daarmee
iemand typeert. Soms moet ik wel een paar dagen zoeken. Ik kijk dan in telefoonboeken
of in boeken met voornamen. Of ik verzin zelf iets, zoals Rosa-Lotte uit de serie
Muller & Co. Als ik dat allemaal weet, ga ik beginnen. Ik schrijf eerst een proefhoofdstuk
om te kijken of het lukt. Als ik tevreden ben, stuur ik het naar de uitgever om te
horen wat die ervan vindt. En dan ga ik verder. Ik probeer mijzelf een taak op te
leggen. Bijvoorbeeld elke dag een half hoofdstuk. Dat is veel en dat lukt ook niet,
maar het houdt de vaart erin. Anders ga ik maar zitten niksen. Een verhaal herschrijf
ik wel tien keer tot ik denk dat elke zin en elk woord op zijn plaats is. Dan e-mail
ik het naar de uitgever. Dat is lekker handig. Vroeger moest ik het eerst uitprinten
en dan naar het postkantoor. De uitgever leest het verhaal en stuurt het na een tijdje
weer terug met opmerkingen. Als iedereen dan uiteindelijk tevreden is, wordt het naar
de illustrator gestuurd. Die maakt een tekening voor de omslag en soms tekeningen
voor in het boek. Dan gaat alles naar de drukker. Ik ben dan allang met een ander
boek bezig.
Wat ik het leuke aan schrijven vind.
Schrijven is net zoals schilderen of beeldhouwen. Je boetseert met woorden een verhaal.
De kunst is om het zo te doen, dat het een leuk en boeiend verhaal wordt om te lezen.
Als ik in bed lig of als ik zomaar wat zit, of in de tuin werk of iets anders doe,
ben ik altijd over een verhaal aan het denken en zinnetjes aan het maken. Ik hoef
ze niet op te schrijven, want ze komen vanzelf weer boven borrelen als ik aan het
schrijven ben.
Ik vind schrijven het leukste wat er is. Als ik niet meer zou kunnen schrijven, zou
ik denk ik heel erg ongelukkig worden.