Biografie

Ik ben geboren in Amsterdam. Daarna verhuisden mijn ouders naar Den Haag. Toen ik drie jaar was overleed mijn vader aan de gevolgen van een Japans krijgsgevangenenkamp waar hij in de tweede wereldoorlog in had gezeten. Mijn moeder verhuisde daarna met mij naar Rotterdam. Ik woon daar nog steeds met mijn man en mijn hond Molly. Ik heb twee volwassen zoons en een kleindochter.

Mijn eerste boek

Vroeger wilde ik operazangeres worden en daarna een tijdje advocaat en modeontwerpster. 

Toen ik 8 jaar was

Uiteindelijk ben ik journalist geworden. Kinderboeken ben ik gaan schrijven omdat mijn eigen kinderen nooit een boek lazen. Ze speelden liever buiten.
Mijn eerste boek heet De Schat in de Verboden Duinen. Het speelt zich af in Zeeland, waar wij vroeger altijd in de vakantie heen gingen.

Hoe ik een idee voor een boek krijg

Zomaar! Soms zit ik ergens aan te denken en dan krijg ik opeens een idee. Het begint met een zin of soms een titel. Een goede titel vat een heel boek samen. Zoals De hond van juf Jansen. Ik wist in één keer hoe dat boek zou gaan. Veel andere schrijvers gaan op reis om ideeën op te doen, maar mijn hoofd stroomt vanzelf al over van de ideeën. Ik vind op reis gaan meestal erg onrustig, want dan zie en hoor ik zoveel dat ik er een beetje van in de war raak. Rondtrekken met een tent of met een boot is voor mij bijna een marteling. Het is een beetje gek, want ik ben wel heel avontuurlijk. Maar zodra ik mijn koffer aan het inpakken ben, wil ik al niet meer weg. Ik ben eigenlijk een avonturier met heimwee.

Hoe ik begin met een boek schrijven.

Als ik weet waar ik over wil schrijven, denk ik eerst een tijd na over de vorm: wordt het een boek voor kinderen of voor volwassenen? Wordt het grappig of een beetje serieus?

In mijn werkkamer

 Is er één hoofdpersoon of meerdere? Wordt het een boek met losse verhalen of één groot verhaal? Als ik dat weet ga ik de namen van de hoofdpersonen verzinnen en bedenken wat voor kinderen het zijn. Dat is het belangrijkste deel van het schrijfproces, want als je de hoofdpersonen goed in je hoofd hebt, maken die als het ware zelf het verhaal. Een goede naam voor de karakters vinden is heel belangrijk, omdat je daarmee iemand typeert. Soms moet ik wel een paar dagen zoeken. Ik kijk dan op internet of in boeken met voornamen.

Ik schrijf eerst een proefhoofdstuk om te kijken of het lukt. Als ik tevreden ben, stuur ik het naar de uitgever om te horen wat die ervan vindt. En dan ga ik verder. Ik probeer mijzelf een taak op te leggen. Bijvoorbeeld elke dag een half hoofdstuk. Dat is veel en dat lukt ook niet, maar het houdt de vaart erin. Anders ga ik maar zitten niksen. Een verhaal herschrijf ik wel tien keer tot ik denk dat elke zin en elk woord op zijn plaats is. Dan e-mail ik het naar de uitgever. Dat is lekker handig. Vroeger moest ik het eerst uitprinten en dan naar het postkantoor. De uitgever leest het verhaal en stuurt het na een tijdje weer terug met opmerkingen. Als iedereen dan uiteindelijk tevreden is, wordt het naar de illustrator gestuurd. Die maakt een tekening voor de omslag en soms tekeningen voor in het boek. Dan gaat alles naar de drukker. Ik ben dan allang met een ander boek bezig.

Wat ik het leuke aan schrijven vind.

Schrijven is net zoals schilderen of beeldhouwen. Je boetseert met woorden een verhaal. De kunst is om het zo te doen, dat het een leuk en boeiend verhaal wordt om te lezen. Als ik in bed lig of als ik zomaar wat zit, of in de tuin werk of iets anders doe, ben ik altijd over een verhaal aan het denken en zinnetjes aan het maken. Ik hoef ze niet op te schrijven, want ze komen vanzelf weer boven borrelen als ik aan het schrijven ben.
Ik vind schrijven het leukste wat er is. Als ik niet meer zou kunnen schrijven, zou ik denk ik heel erg ongelukkig worden.